De koffieplant
De koffieplant behoort tot het plantengeslacht coffea, dat deel uitmaakt van de rubiaceaefamilie. Bij de coffea soorten vinden we kleine struiken tot grote bomen van meer dan 10m.
Voor de koffiehandel worden 2 soorten binnen het geslacht coffea gebruikt: de coffea arabica en de coffea canephora var. robusta, kortweg robusta genoemd.

De
arabicaplant is een grote struik met ovale bessen waarin 2
afgeplatte zaden zitten die rijp zijn na 6 tot 8 maanden. Arabica
groeit op een hoogte van
800 m tot meer dan 2.000 m ; hoe hoger de koffie groeit, hoe beter
de kwaliteit. Arabica bonen geven een koffie met een milde smaak.

De
robustaplant is een grote struik/kleine boom die ronde bessen
produceert met 2 ovale zaden die iets kleiner zijn dan de arabica
zaden, de bessen zijn rijp na 9 tot 11 maanden. Robusta groeit in
het laagland. Robusta bonen bevatten meer cafeïne dan arabica, de
koffie smaakt krachtiger en bitter.
Het zijn de zaden in de bessen die we gebruiken om te branden.
Na 3 tot 4 jaar bloeien de
koffieplanten voor het eerst, de bloemen zijn wit en lijken op die
van de jasmijn, na de bloemen komen de bessen die eerst groen zijn
maar rood worden als ze plukrijp zijn. Koffieplanten kunnen meer dan
1 keer per jaar bloeien zodat men aan een struik zowel bloemen als
onrijpe en rijpe bessen vindt.
Koffieplanten zijn veeleisend:
een jaarlijkse regenval van 150 cm, vrij warm (arabica van 17° tot
24°C, robusta tussen 24° en 29°C), een humusrijke bodem, halfschaduw,
dus geen brandende zon en geen harde wind.
Arabica is meer ziektegevoelig dan robusta, koffieroest is een gevreesde ziekte die in de 19de eeuw heel wat arabica plantages verwoestte.
De koffiestruik wordt regelmatig gesnoeid om de bloei te bevorderen en de oogst te vergemakkelijken.
Per struik oogst men ongeveer 2,5 kg bessen.